Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

De recente Nederlandse belangstelling voor de Grote Oorlog: een morbide hype?

Geachte dames en heren, 

Om te beginnen wil ik natuurlijk eerst de organisatie van deze bijeenkomst van harte bedanken voor de uitnodiging aan mij om uw verblijf hier bij de feestelijke doop van een mijns inziens mooi vormgegeven en inhoudelijk goede en boeiende, kortom zeer geslaagde brochure, door middel van een lezing ietwat te veraangenamen. Ik zal mijn best doen en verontschuldig mij bij voorbaat voor het feit dat die lezing iets langer zal duren dan de tijd die mij eigenlijk was gegeven. Waarom voor die lezing echter een Nederlander is gevraagd en niet iemand uit de eigen omgeving die vast en zeker veel meer wetenswaardigs zou weten te vertellen over de gevechten die aan IJzer en rond Ieper hebben plaatsgevonden in de jaren 1914-1918, en van de effecten die die gevechten hebben gehad op de soldaten, de burgers, de economie, of de politiek in zowel de tijd van de Grote Oorlog zelf als in de jaren daarna, weet ik niet. Voor het echte antwoord op die vraag moet u vanzelfsprekend bij de organisatie zijn, maar ik schat zo dat het wat te maken heeft met de enorme bloei in belangstelling in het afgelopen decennium in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog in zo’n beetje al zijn facetten. Ik weet nog goed dat, toen ik in de tweede helft van de jaren negentig, tussen het verwisselen van de luiers van mijn ondertussen wat groter gegroeide dochter door, bezig was met het schrijven van Zacht en Eervol,  ik op de Nederlandse televisie een interview zag met onze nationale bard en nationaal geweten Herman van Veen. Hij was kort daarvoor naar de Westhoek van Vlaanderen geweest en had een bezoek aan Ieper gebracht. Daar was hij tot de ontdekking gekomen dat in die streek zo nabij de Zeeuws-Vlaamse grens in het begin van de twintigste eeuw honderdduizenden mensen zinloos waren afgeslacht. Dat was natuurlijk een schande, maar het was wellicht een nog grotere schande dat niemand in Nederland daar weet van had. Ik wil even voorbijgaan aan de enorme arrogantie die hieruit spreekt – hij wist het zelf tot voor kort ook niet en dus wist blijkbaar niemand in Nederland het – maar het moge duidelijk zijn dat je van zo’n opmerking enigszins vreemd opkijkt als je juist bezig bent met een boek dat, zoals u wellicht weet, expliciet handelt over het psychisch en lichamelijk lijden van de soldaten in die tijd en voor een groot deel ook in deze streek. Het richt zich in een vijftal hoofdstukken getiteld Strijd, Lichaam, Geest, Hulp en Dood, op de veelheid aan ziektes en verwondingen die de soldaten kon treffen, van geslachtsziekte tot Spaanse Griep, van loopgraafvoet tot bloedvergiftiging, van gezonde angst tot ongezonde neurose of psychose. Het richt zich op de medische hulp die zij al dan niet verkregen en het waarom daarachter, van de brancardiers in Niemandsland tot de gespecialiseerde ziekenhuizen in het moederland. En het richt zich op alle aspecten betreffende de dood, al dan niet met hoofdletter, van executie en zogenaamd vriendelijk vuur, via de dood tijdens de trench raid of de massale aanval over Niemandsland, de áttaque à l’outrance, tot de onmogelijkheid van een in zowel militair als psychologisch opzicht eigenlijk onontbeerlijke, enigszins fatsoenlijke begrafenis. Deze aspecten, ziekte, verwonding, medische hulpverlening, sterven en begraven, bepaalden de aard en het verloop van de strijd evenzeer, en wie weet zelfs nog wel meer, dan de door de generaals uitgedachte strategieën en tactieken die daarvoor meestentijds de lof of de schuld krijgen. Wat mij echter behalve de evidente nonsens van de opmerking van Van Veen nog meer bevreemdde, was dat de interviewer niet in lachen of huilen uitbarstte over zoveel onkunde. Wellicht was hij extreem beleefd, maar het leek er toch verdacht veel op dat hij Van Veen geloofde en in ieder geval ook zelf van de Eerste Wereldoorlog geen enkele weet had. Vreemd is dat ook niet, want Van Veen had natuurlijk wel deels het gelijk aan zijn zijde. Al waren er velen in Nederland die wel degelijk weet hadden van de slachting die zich in 1914-1918 zo dicht bij de grens had afgespeeld, van algemeen gedeelde kennis was zeker geen sprake, zelfs niet aan de universiteiten, zoals bleek toen een bevriend historicus in ongeveer dezelfde tijd tijdens een college over de Eerste Wereldoorlog, een studente op de eerste rij van de collegebanken tegen haar buurvrouw hoorde zeggen: ‘Ik dacht dat die de Tweede Wereldoorlog werd genoemd.’ Waarom vertel ik dit: omdat, althans dat hoop ik, noch de opmerking van Van Veen, noch die van de studente heden ten dage nog mogelijk zou zijn geweest, of in ieder geval wel met gelach of gehuil zou zijn beantwoord. Daarvoor is er het afgelopen decennium te vaak in Nederland aandacht aan de Grote Oorlog besteed, met als voorlopig hoogtepunt de centrale plek die die oorlog innam in het eindexamenprogramma HAVO/VWO van dit jaar, al werd de inhoud ervan dan hevig door een aantal van de WOI-freaks, zoals ik ze af en toe noem, bekritiseerd. Velen trokken, met de reisgids van Kees en Chrisje Brants of iets later met In Europa van Geert Mak op zak naar de zogenoemde velden van weleer, en waanden zich met, om het positief te zeggen, typisch Nederlands zelfvertrouwen, meteen een expert. Na een rondleiding mijnerzijds langs Duitse en Britse begraafplaatsen hier in de buurt, zei bijvoorbeeld een van hen, die alleen de WOI-hoofdstukken van In Europa had gelezen en een keer door het In Flanders Fields-museum had gewandeld, dat hij  mij op geen enkele fout had weten te betrappen. Er werd een Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog opgericht. Er is een artikelenbundelreeks gestart waarvan in 6 jaar reeds 18, tussen de 2- en 400 pagina’s dikke delen zijn verschenen en die veel sneller gaat dan een soortgelijke serie over de Tweede Wereldoorlog van dezelfde uitgeverij. Er wordt minimaal eens per jaar een conferentie georganiseerd. Er kwamen diverse websites zoals de in uw brochure terecht genoemde en geroemde Wereldoorlog1418.nl van Menno Wielinga, er werd een druk bezocht digitaal discussieforum de lucht in gegooid. Er verschenen boeken over de Nederlandse neutraliteit en de militaire en politieke evenwichtskunstenarij in die jaren, en er verscheen een tweetal fraaie bundels waarin Nederlandse (en enkele Vlaamse) teksten uit die tijd zelf zijn gebundeld; één met gedichten en liedteksten (Het Monster van de oorlog) en één met proza. (De Eerste Wereldoorlog door Nederlandse Ogen)  En als laatste voorbeeld wil ik u de onlangs gestarte uitgeverij Dulce et Decorum niet onthouden, waarin Neerlandicus en liefhebber en kenner van WOI-literatuur Fons Oltheten, vertalingen van vergeten parels voor het Nederlandse publiek toegankelijk wil maken.

                 

Het is een onbegrijpelijke schande dat iemand als Jan Blokker, grand old man van de Nederlandse journalistiek, in een recensie schreef de relevantie van dit initiatief niet te begrijpen, omdat met mensen als Remarque, Owen, Sassoon of Barbusse de literaire verbeelding wel voldoende bekend was. Hij had bijvoorbeeld nog nooit van iemand als Dalton Trumbo gehoord en als die goede boeken zou hebben geschreven, zou dat echt wel het geval zijn geweest. Het gaat er nu niet om dat Trumbo een van de grootste Amerikaanse scenarioschrijvers ooit is geweest, het gaat er ook niet om dat hij een van de voornaamste slachtoffers van het McCarthyisme is geweest, die jacht op al dan niet vermeende communisten in het Amerika van de jaren vijftig, en het gaat er me zelfs niet om dat zijn in de jaren zeventig verfilmde Johnny got his gun uit 1939 (vertaald onder de titel ‘Stiltewoorden’) misschien wel het beste anti-oorlogsboek is dat ooit is geschreven. Het gaat er me met andere woorden niet om dat Blokker zich moet schamen nooit van de man gehoord te hebben – we hebben immers allemaal wel eens nog nooit van iemand gehoord, waar we eigenlijk wel van zouden moeten hebben gehoord. Waar het me echter wel om gaat is dat iemand als Blokker zou moeten weten dat zaken als faam of commercieel succes, zeker in de kunst, ook door andere factoren worden bepaald dan alleen kwaliteit. Ik ben zelfs geneigd te zeggen, dat kwaliteit niet eens de belangrijkste factor is. 

Natuurlijk heeft deze groei ook negatieve kanten, waarover straks meer, maar op zich genomen kan ik haar niet anders dan toejuichen al is het maar omdat zij goed is voor de verkoopcijfers van Zacht en Eervol. Niet iedereen echter denkt er voornamelijk positief over. Emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, Maarten Brands, sprak onlangs, met niet te missen afschuw, van een hype die vanwege de vele slagveldbezoekjes behoorlijk morbide trekjes vertoonde. En vanuit professioneel oogpunt was het nog ernstiger dat, doordat de aandacht met name uitging naar de Nederlandse situatie, het beeld van de oorlog volledig scheef werd getrokken. Het leek wel alsof Nederland ineens wilde gaan bewijzen dat het wel degelijk ook bij de oorlog betrokken was geweest, dat het wel degelijk ook geen leuke tijd had gehad, dat die oorlog echt niet aan Nederland voorbij was gegaan en dat Nederland dus wel degelijk een rol op het wereldtoneel was blijven spelen. Maar de waarheid is en blijft, aldus Brands, dat Nederland hooguit een muis in de oorlog was, een muis die pas een kleine eeuw na dato ineens begon te brullen. Natuurlijk mogen historici belangstelling voor die muis tonen, maar zij mogen nooit uit het oog verliezen dat aandacht voor de olifanten, waarmee hij natuurlijk doelde op landen als Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en de VS, en wie weet ook wel een beetje op België, toch echt van groter belang is voor het schetsen van een beeld van de oorlog. In feite verwijt hij de huidige Nederlandse historici, dat zij zich, als zij zich al bezig houden met de Eerste Wereldoorlog, hun blik richten op Nederland. Ook al hoor ikzelf dan tot degenen die het oog wel degelijk grotendeels op het oorlogstoneel zelf  richten, vind ik dit een beetje een vreemd verwijt. Behalve dat die aandacht voor Nederland om voor de hand liggende praktische redenen vrij logisch is, is het niet anders dan wat historici uit zijn olifantlanden ook doen, met even grote en scheeftrekkende gevolgen voor het beeld over de oorlog. Maar vreemd of niet, Brands gaf hiermee wel aan in feite nog geen woord terug te willen nemen van zijn ‘stok in het hoenderhok’-artikel uit 1997 ‘The Great War die aan ons voorbijging. De blinde vlek in het historische bewustzijn van Nederland’. De portee ervan ging zijns inziens ook tien jaar later, ondanks alle Nederlandse Eerste Wereldoorlog-onderzoek dat sinds die tijd was verricht, nog steeds op. In dat artikel hekelde hij het feit dat Nederlandse historici zich geheel focusten op de Tweede Wereldoorlog, die allesbehalve aan Nederland voorbij was gegaan, en de Eerste lieten voor wat hij was. En dat terwijl voor het politieke wereldtoneel die Eerste van heel wat groter belang moest worden geacht. Ook hier was toen al wel wat tegen in te brengen. Ten eerste was het vrij normaal dat de Nederlandse belangstelling, en daarmee die van de Nederlandse historici, zich richtte op de jaren 1940-1945, en dat zou Brands toch ook moeten begrijpen. In die oorlog was Nederland weliswaar een kleine speler, maar wel een hevig bloedende speler geweest. Misschien dan geen olifant in het hele gebeuren, maar toch ook allesbehalve een muis. En bovendien, als we kijken naar onze oosterbuur moet daar hetzelfde van worden gezegd, terwijl die in de jaren 1914-1918 misschien wel de opperolifant was. Ook daar echter werden na 1945 de jaren 1914-1918 vrijwel geheel vergeten, om pas sinds kort weer een comeback te maken, en ook daar was dat alleszins begrijpelijk. Vraag is natuurlijk waar die recente belangstelling vandaan komt en wat de voor- en eventueel ook nadelen ervan zijn. De eerste vraag is moeilijk te beantwoorden, al was het maar omdat we nog midden in het proces zitten en er dus nog niet met een door de tijd gelouterde blik op terug kan worden gekeken. Ik kan me er natuurlijk met een kwinkslag vanaf maken en het volledig toeschrijven aan het verschijnen van Zacht en Eervol in 1999 met wellicht een kleine bijrol voor Velden van Weleer, maar niet alleen zou dat onbetamelijk zijn, het zou ook incorrect zijn. De groei van de belangstelling was immers al aan de gang in 1999, al heeft Zacht en Eervol zeer zeker aan het doorgaan van dat proces een steentje bijgedragen. Wat is het dan wel geweest? Ten eerste denk ik we daarvoor toch weer naar de Tweede Wereldoorlog moeten kijken. Het werd onderhand steeds moeilijker om over die strijd nog iets nieuws te zeggen en te ontdekken. Alle voor zover bekende archieven waren wel zo’n beetje doorgespit, alle slagvelden vaak meer dan eens bezocht, bij ieder monument vele minuten stilgestaan. Maar geen Nederlander die in juni op weg was naar Normandië of in de herfst naar de Ardennen kon zich onttrekken aan het voor de meesten van hen onbegrijpelijke feit dat op al van de vele oorlogsmonumenten die hij – en steeds vaker ook zij - in België of Frankrijk tegenkwam, de Tweede Wereldoorlog eigenlijk maar een soort annex was. De monumenten maakten de indruk alsof er stond, oh ja, tussen 1939 en 1945 zijn er ook nog een paar gesneuveld. Laten we die er maar even bij beitelen. Het besef drong door dat de Tweede Wereldoorlog inderdaad de twééde wereldoorlog was geweest. Het besef begon door te dringen dat zonder de ook wel de oercatastrofe genoemde strijd van 1914-1918, dat bloedige begin van de korte 20e eeuw van 1914 tot 1991, de verschrikkingen toegebracht door frontoverlevende Adolf Hitler en de zijnen, niet kunnen worden verklaard. En toen de interesse via die omweg eenmaal was gewekt, bleek al snel dat die Eerste Wereldoorlog ook apart van de Tweede genoeg interessants te vertellen had. Al snel bleek toen bijvoorbeeld dat de verschrikkingen, zeker die der soldaten, in een aantal aspecten niet voor die van 1939-1945 onderdeden en die zelfs overstegen. Dit werd dan veelal geweten aan de in huidige ogen onbegrijpelijke vorm van oorlogvoering, zo geniaal neergezet in ‘Blackadder goes Forth’. Die generaals moeten wel ongelooflijke eikels zijn geweest en het was weer eens de kleine man die daaronder moest leiden. De daaruit volgende identificatie met die kleine, ten dode opgeschreven man aan het front ging soms zelfs zo ver dat een enkeling, zoals de onlangs overleden en terecht betreurde zanger, dichter en componist Bram Vermeulen, zich een reïncarnatie achtte van een van hen. Een tweede aspect was natuurlijk het ongeveer tegelijkertijd optredende einde van de Koude Oorlog. Het was het meest directe en meest voelbare gevolg van de Tweede Wereldoorlog, maar een van de hoofdrolspelers, de Sovjet Unie, moet een direct gevolg van de Eerste Wereldoorlog worden genoemd. Bovendien was het al snel daarop ontstane bloedige gedoe in de Balkan ook niet van de Eerste Wereldoorlog los te zien. Die had immers het einde van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie tot gevolg gehad en de geboorte van Joegoslavië te zien gegeven. Sterker, sommigen vreesden een Derde Wereldoorlog want de ontstane situatie leek, zo zeiden zij, precies op die voorafgaand aan 1914. Ik heb heel wat telefoongesprekken met mijn moeder moeten voeren om haar ervan te overtuigen dat het toen toch echt iets anders lag en dat ze zich dus geen zorgen hoefde te maken, in ieder geval vooralsnog niet. Er zal over het ontstaan van die belangstelling nog heel wat kunnen worden gezegd, maar laten we overgaan naar de voor- en nadelen ervan. Om te beginnen met de voordelen. Sinds een jaar of tien zijn er vele interessante weetjes over de Eerste Wereldoorlog voor Nederlanders door Nederlanders in het Nederlands over het voetlicht gebracht. Met andere woorden: die toegenomen belangstelling heeft zeer zeker de kennis over die oorlog bereikbaarder gemaakt voor veel andere Nederlanders, en daarmee vergroot. Die Nederlanders gingen op hun beurt deels weer de rijen en rangen van de eerdere geïnteresseerden versterken, al ben ik me er daarbij van bewust dat dat effect vaak eerder aan de naam Geert Mak dan aan de oorlog zelf moet worden gekoppeld. Toen ik enkele maanden geleden op de Nederlandse radio live voor publiek in discussie moest gaan met onder andere diezelfde Geert Mak over de Eerste Wereldoorlog, zei iemand uit dat publiek voorafgaand aan de uitzending uitbundig glunderend tegen me dat hij ‘het boek’ bij zich had. Ik dacht even met een blije christenfundamentalist te maken te hebben die mij onder het motto ‘Jezus redt zelfs jou’, de bijbel aan wilde smeren, wat nutteloos geweest zou zijn, want die heb ik al. Ook hoopte ik heel eventjes dat hij Zacht en Eervol bedoelde en een handtekening wilde. Het bleek natuurlijk om In Europa te gaan. De door die vele Nederlandse onderzoekers aangesneden onderwerpen liepen en lopen zeer uiteen. Ik kan me dan ook niet voorstellen dat Brands, met zijn opvatting dat Nederlanders schrijven over Nederland, notitie heeft genomen van de 18 delen De Grote Oorlog, tenzij hij louter en alleen doelde op de wetenschappelijke onderzoekers aan de universiteiten of onderzoeksinstituten zoals het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Van de artikelen in De Grote Oorlog handelt slechts een minderheid over Nederland, en niet eens een grote minderheid. Natuurlijk is er, ook buiten die bundels, (Leven naast de catastrofe) gesproken en geschreven over zaken als de vluchtelingen, de krijgsgevangenen, (Oorlogsgasten) de honger, de mobilisatie, de vredebeweging, (Een vergeten hoofdstuk) en de revolutie, althans de wens daartoe. Maar nog meer ging het over het ontstaan en het afsluiten van de oorlog, de strategieën, de tactieken, het oostfront, het westfront en slagen als Gallipoli. Het ging over de ondergrondse oorlogvoering en de trein naar Turkije, over literatuur (Onsterfelijke fronten) en film, (Filmfront Weimar) over gifgas en geneeskunde, over duikboten en monumenten. Eerlijk gezegd denk ik dat Nederland, juist omdat het een muis was en geen olifant, juist omdat het weliswaar niet afzijdig stond van de oorlog, maar toch het hoofdbestanddeel van die oorlog, te weten het ongebreidelde geweld, miste als kiespijn, niet minder maar meer aandacht heeft voor zaken die niet het eigen land betreffen dan welke van de olifanten ook. Het is dus wat vreemd dat de voorzitter van de SSEW de kritiek van Brands, afgezien van een paar detailpunten, onderschrijft, terwijl hijzelf onderzoek doet naar oorlogsbegin, oorlogseinde (De Andere waarheid) (De mythe van 1918) en oorlogsschuld. Allesbehalve Nederlandse onderwerpen dus. Overigens doet hij dat zelfs naar eigen zeggen niet goed genoeg, omdat hij ieder jaar opnieuw, in zijn openingsspeech van de jaarlijkse conferentie, erop hamert dat Nederlandse professionele historici die klus moeten gaan aanvatten. Waarom dat nu zo speciaal een klus is voor Nederlanders, en wat die Nederlanders dan nog aan zijn eigen werk moeten toevoegen, nuanceren, bijstellen of zelfs onderuit halen, is me tot op heden eerlijk gezegd altijd een raadsel gebleven. Of zou die voorzitter alleen de kritiek van Brands onderschrijven dat de kennis over de oorlog in Nederland nog steeds tekortschiet en dat haar inwoners een scheef beeld van die oorlog hebben? Dan is het weerwoord natuurlijk ten eerste wederom: is het in de olifantlanden dan echt zoveel anders en beter? Ten tweede: kan het anders in die nog steeds maar korte tijd dat er van intensieve aandacht in Nederland voor de Grote Oorlog sprake is? En ten derde en laatste: is de kennis van de gemiddelde Nederlander over welke andere periode in de geschiedenis dan zoveel groter en niet scheef? Natuurlijk, om een ander kritiekpunt maar eens bij de hoorns te vatten, deze enorme hoeveelheid materiaal moet welhaast betekenen dat niet alles even origineel was en is en dat er, om een Belgisch historicus te citeren, een hoop Nederlandse na- en overschrijverij bij was en is, al heeft diezelfde historicus dat oordeel later bij in ieder geval één werk weer moeten inslikken. (Zacht en Eervol) Maar we kunnen dit gebrek aan originaliteit ook positief zien en zeggen dat het dan in ieder geval onoriginele na- en overschrijverij van materiaal is dat daardoor wel toegankelijker is geworden voor een nieuw publiek. Maar inderdaad, veel ervan is onder de term kinderziektes te vangen. Als de serie De Grote Oorlog met wetenschappelijke maatstaven was geredigeerd – soms vraag ik me af óf er wel met bepaalde maatstaven wordt geredigeerd – dan zou die zeer zeker geringer in omvang zijn geweest. Wellicht echter moeten we ons niet blind staren op de grote hoeveelheid onoriginele na- en overschrijverij maar focussen op de parels die er ook tussen zitten en die zonder Brands’ ‘morbide hype’ wellicht ook nooit het daglicht zouden hebben aanschouwd. Bekijk, om het zo maar eens te zeggen, de hoeveelheid artikelen en boeken die momenteel vanuit Nederland over Nederland en Vlaanderen worden uitgestort als de top 40 van de popmuziek. Ik verwijs hierbij met opzet naar Nederland en Vlaanderen omdat er helaas nog maar weinig van deze werken in een andere taal zijn verschenen. Eerlijk gezegd ken ik er maar twee, waarvan er een direct in het Engels verscheen, Paul Moeyes’ proefschrift over Siegfried Sassoon, (Scorched Earth) en de ander is een fotoboek. (De Eerste Wereldoorlog in foto’s) Gelukkig verschijnt er een derde in 2009. (Zacht en Eervol) Evenals die top 40 lijkt het op het moment zelf allemaal helemaal niks en tien keer hetzelfde, maar over dertig jaar blijken er toch één of twee pareltjes in te hebben gezeten die de tand des tijds hebben doorstaan. De rest is vergeten en dient hooguit nog voor af en toe een nostalgische glimlach. Echter: een halfvol glas is natuurlijk evenzeer half  leeg. Zo positief hoef je er dus niet tegenaan te kijken, zoals we met het voorbeeld van Brands hebben gezien. Ik zei het reeds, er zitten wel degelijk ook nadelen aan de grote belangstelling. Zo bleek onlangs de Eerste Wereldoorlog een rol in de discussie over blijven in of weggaan uit Uruzgan te spelen, toen in de Volkskrant voormalig vredesbeweger en huidig exploitant van menselijk leed, Mient-Jan Faber, wiens opvatting naar eigen zeggen altijd de moreel gezien enig juiste is, een pleidooi hield voor doorzetten van de strijd tot de overwinning was bereikt. Hij hield daarbij het Nederlandse volk de Franse natie in de strijd van 1914-1918 ten voorbeeld. Zelden heb ik de laatste jaren zoveel gevaarlijke onwetendheid in wat toch een van Neêrlands kwaliteitskranten is, bij elkaar gezien. Het is niet dat ik erop tegen ben dat iemand een pleidooi voor voortzetting van de strijd in Uruzgan houdt, al ben ik zelf een andere mening toegedaan. Maar doe dat wel met deugdelijke argumenten en doe dat vooral niet met de slachtingen van Ieper, Somme en Verdun als voorbeeld. Al is het dan een cliché, het niet door enige kennis gehinderde verhaal van Faber betekent dat die stortvloed van boeken en artikelen inderdaad zowel de kracht als de zwakte van de toegenomen Nederlandse belangstelling is. Laat ik daarbij mezelf eens onder de loep nemen. Ik had me in 2002, toen deel 1 verscheen met daarin ook een stuk van mijn hand, vast voorgenomen alle afleveringen van de serie De Grote Oorlog aan te schaffen. Na het uitkomen van deel acht besloot ik echter er alleen nog maar één te kopen als er echt iets behartenswaardigs in zou staan. U snapt het al: deel acht is nog steeds mijn laatste deel. Natuurlijk heeft dat er deels mee te maken dat ik een beetje een zwart schaap in de WOI-familie ben, omdat mijn belangstelling niet die oorlog op zich betreft, maar slechts bepaalde aspecten van oorlogvoering in het algemeen. Die waren weliswaar in 1914-1918 zeer duidelijk aanwezig, maar ontbreken ook in andere oorlogen niet. Veel van de Nederlandse WOI-fanaten, die vaak tot hun belangstelling zijn geraakt vanuit een algemene interesse in oorlogvoering en bewapening, zijn geïnteresseerd in alles over 1914-1918, maar dan ook alleen 1914-1918. Ze weten daardoor alles over de eerste tanks, over de omvang van granaathulzen, en het uiterlijk van manchetknopen en insignes, maar haken vaak af als wordt gevraagd naar de context en de maatschappelijke betekenis daarvan. De eerste vraag ‘waarom weet je al die details’, wordt te vaak beantwoord met: ‘Omdat ik dat nu eenmaal interessant vind.’ En de erop volgende vraag, ‘maar wat wil je dan met die kennis van al die details’ wordt te vaak gevolgd door een vragend stilzwijgen. Ik ontken niet dat kennis over dergelijke zaken onontbeerlijk is, maar voor mij zal die kennis nooit een doel op zich zijn, maar slechts een middel om het echte doel, zoals gezegd: wat betekent oorlog, welke oorlog dan ook, in lichamelijk, psychisch en algemeen maatschappelijk opzicht voor de mens die ermee te maken krijgt, beter te kunnen verklaren en verwoorden. Artikelen nu die louter en alleen strategie, tactiek of bewapening betreffen, en het effect daarvan op de mens vergeten, zal ik dus hooguit even lezen en inzien op zoek naar informatie die mij verder helpt. Maar dat is zeker niet de enige reden. De kritiek is terecht dat veel, en wellicht inderdaad te veel, van het uit Nederland afkomstige materiaal bestaat uit reeds bekende informatie. Erger echter is nog dat veel ervan wordt uitgebracht terwijl het gewoon nog niet af is. Het wordt prematuur gepubliceerd, en ik kan buiten een simpel gebrek aan talent bij de scribenten en een gemis aan kennis bij degenen die voor publicatie verantwoordelijk zijn, geen andere reden verzinnen dan de wens letterlijk de hype in klinkende munt om te zetten. Te vaak krijg ik het idee dat het motto van de uitgevers is: ‘Liever een slecht maar goed verkocht product nu, dan een goed product op een moment dat de belangstelling alweer blijkt te zijn overgewaaid.’ Zoals gezegd gaat de serie De Grote Oorlog hard en naar mijn bescheiden wetenschappelijke mening, te hard. En wat te denken van het werk ‘Nederlanders in de Grote Oorlog’. Dat boek had, zo schreef de auteur op forumeerstewereldoorlog.nl, waarin ook mijn recensie erover terug te vinden is, geen wetenschappelijke pretenties. Maar dat ontslaat natuurlijk iemand niet van de plicht enigszins over de inhoud na te denken en niet alle normen die van een boek een goed boek maken, met voeten te treden. Maar hype en onderwerp stonden blijkbaar garant voor winst, terwijl de auteur eigenlijk met de boodschap, ‘huiswerk over doen, en kom dan nog maar eens over een jaar of wat terug’, naar huis had moeten zijn gestuurd. En als een uitgeverij dan toch besluit tot publicatie, huur dan een goede en met de materie bekende redacteur in. Maar ja, dat verhoogt de prijs en/of drukt de winst of resulteert zelfs in het besluit toch maar niet tot publicatie over te gaan, waardoor al het geld en al de moeite voor niks zijn geweest. Dit is niet alleen om inhoudelijke redenen jammer. Ten eerste laat een dergelijk boek ook het amateurniveau zien waarop een groot deel van de discussie in Nederland zich nog afspeelt. Iedere WOI-wind wordt door al te velen met al te groot enthousiasme begroet terwijl veel van die winden louter de kritiek ‘je stinkt’ te horen hadden moeten krijgen. Bovendien betreffen die stinkende winden vaak wel interessante onderwerpen, zoals ook ‘Nederlanders in de Grote Oorlog’ op zich een interessant onderwerp is, een onderwerp dat het onderzoeken meer dan waard is. Maar, ofschoon het gepubliceerde werk genoeg te onderzoeken overlaat, wordt de drempel daartoe louter door de premature publicatie verhoogt. Het simpele feit dat er al iets ligt over een onderwerp, hoe slecht ook, maakt dat het niet zo snel weer opnieuw zal worden aangepakt. Bovendien dreigt het gevaar – zie mijn eigen geschiedenis met de serie De Grote Oorlog – dat door de hoeveelheid oninteressante literatuur, ook de enkele parels door de niet in iedere wind maar louter in kwaliteit geïnteresseerde, over het hoofd zullen worden gezien. En dus wil en kan ik deze uiteenzetting over de huidige Nederlandse belangstelling niet anders beëindigen dan met een oproep aan mijn schrijvende en uitgevende landgenoten tot zorgvuldigheid en ingetogenheid, al zijn dat op dit moment in Nederland met tv-programma’s als De Gouden Kooi of Van Del tot Dame en politieke partijen als Trots op Nederland of de Partij voor de Vrijheid nou niet bepaald algemeen gedeelde waarden. Voordeel van deze partijen, evenals van de weer eens oplaaiende, nergens op gebaseerde Oranjekoorts, is wel dat Nederland geen enkele reden meer heeft om meewarig hoofdschuddend neer te kijken op of verontwaardigd te zijn over uitingen van Vlaams of Duits nationalisme, zoals zolang het geval is geweest en naar ik vrees bij velen nog steeds het geval is. Ik zou mijn landgenoten willen oproepen te blijven komen naar Ieper en IJzer en zich te blijven verdiepen in de literatuur, zowel in de non-fictie als in de fictie die vaak niet alleen meer schoonheid, maar ook meer waarheid verbergt, al is het dan een andere waarheid. Maar blijf, dan wel word, kritisch tegenover al het eigen en aangeboden en gelezen werk. Blijf enthousiast over alles wat je onderzoekt en tegenover iedereen die onderzoekt, maar durf tegen jezelf te zeggen dat het nog niet goed genoeg is om aan te leveren, en durf tegen een onderzoeker te zeggen dat het nog niet goed is om gepubliceerd te worden. Dan zal de kritiek van mensen als Brands vanzelf verdwijnen en zijn ‘morbide hype’ vanzelf veranderen in oprechte en doorleefde belangstelling voor een van de meest interessante en tragische periodes van de moderne geschiedenis, een periode waarvan de omgeving van Diksmuide zo intens is doortrokken. Ik dank u voor uw aandacht.

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: