Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

Poststempel Verdun - een fragment

Donderdag 24 februari

Het is even na half zeven, bitter koud en het sneeuwt licht. De dageraad is grijs. Over enkele minuten vallen we aan. Vannacht zijn onze rijen van vers bloed voorzien, jonge kerels, net als ik, velen met rode konen van opwinding. Iedereen beleeft die laatste momenten voor een aanval op zijn eigen manier. Een enkeling staat stijf van de zenuwen, de schouders gebogen, doodsbenauwd voor het onbekende.

De meesten hebben echter een uitdagende, bijna stoere blik in de ogen, zo van ‘kom maar op’. Ik weet niet goed wat ik ervan vinden moet; is het domheid of overmoed?  “Wie dekt er onze rechterflank?” Sergeant Sonntag is des duivels. Aan een stuk door vallen de granaten tussen ons in. Deze keer komen ze niet uit de richting van Verdun, maar van de linker Maasoever. “Hoe kan dat nou, godverdomme?” Sonntag begrijpt er niets van. “We hadden die godvergeten Fransen toch in de tang?” Voordat hij dingen zegt die hem voor de krijgsraad kunnen brengen, mengt onze eigen artillerie zich in de strijd en vallen er granaten op de Franse stellingen vlak voor ons. Eindelijk lucht. Als na een uur het bombardement stopt, rukken we op.  Sergeant Sonntag is gesneuveld, gedood door een granaatscherf. Een minuscuul gaatje in zijn slaap heeft dit prachtige mens kleingekregen. “Sonntag ist tot.” Het bericht ijlt door de linies, van soldaat naar soldaat, als een donkere wolk die het gemoed bezwaart. Iedereen is er kapot van. Net nog sprak hij ons moed in. “Maak jullie geen zorgen, jongens. We rollen ze op, alsof we een sardineblikje open maken.” Grootspraak natuurlijk, maar goedbedoeld. En nu is hij dood en zal ons voortaan niet meer kunnen beschermen. Weer zo’n brief naar het thuisfront. Naar…? Ja, naar wie eigenlijk? Heeft de sergeant een vrouw, kinderen, een moeder en vader die nog leven? Ik weet het niet, niemand weet het. Ik heb het me nooit gerealiseerd, maar Sonntag was op de een of andere manier een mysterie. Niemand weet waar hij vandaan kwam, of hij getrouwd was en kinderen had, en of hij gelovig was of niet. Sonntag was, achteraf gezien, voor ieder van ons een onbekende bekende. En toch, in onze herinnering is hij altijd een deel van ons geweest.  Veel tijd om de dood van Sonntag op ons in te laten werken krijgen we niet, de aanval mag niet stokken, de vijand mag geen gelegenheid krijgen om zich te hergroeperen. Daarom jaagt Hamel, de anders zo zachtmoedige Hamel, ons meedogenloos voort. Meter voor meter naderen we ons doel, het dorp Beaumont. De Fransen verdedigen iedere centimeter echter met de moed der wanhoop. Overal duiken ze op. Het niet aflatende vuur uit hun mitrailleurs, verdekt opgesteld achter kapotgeschoten muren, in dakkapellen en kelderramen, maakt dat we nauwelijks vooruit komen. Een onbeduidende sprong voorwaarts en dan zijn we weer vastgepind in de volgende trechter. Als we nog dichterbij komen, krijgen we ‘citroenen’ om de oren. Ik werp me voorover in een trechter en glijd op mijn buik naar de bodem, waar ijswater en modder, granaatscherven en resten van menselijke lichaamsdelen een bizarre symbiose van dode elementen vormen. Als ik opzij kijk, zie ik dat Tristan in dezelfde trechter dekking heeft gezocht. Zijn blik van totale verwarring zal me altijd bijblijven.   We moeten door. Ik zeg Tristan dat hij dicht bij mij in de buurt moet blijven. Steeds dichter naderen we de bebouwing. De meeste huizen zijn puinhopen, de kerktoren is volledig ingestort en van de school staan alleen de zijmuren overeind. Beaumont is een grote loopgraaf geworden. De aanval is nu in volle gang. Voor en achter me, links en rechts, zie ik alleen maar grijze uniformen die vooruit stormen. Golf na golf rent recht op de Franse stellingen af, luid schreeuwend, de bajonet vooruit gestoken. De Fransen wijken echter niet, ze verdedigen het dorp hardnekkig. Hun mitrailleurs en granaten stoppen talloze van mijn kameraden in volle ren, letterlijk. Het lijkt wel of al die grijze gestalten in een waas verdwijnen, als figuranten in een onduidelijke opera. De verliezen zijn verschrikkelijk, de aanval stokt, om even later toch weer op gang te komen, voorzichtiger nu. Onze artillerie hervat de beschieting om de resterende weerstand te vermorzelen. Als ik me opricht zie ik links van me een enorme, half ingestorte stenen schuur, met ongeveer twintig meter rechts daarachter een mitrailleursnest. Het lijkt verlaten. Ik ren naar de dekking van de schuur en gebaar Tristan om me te volgen. De mitrailleur zwijgt. We halen het. De schuur lijkt op het eerste gezicht leeg, maar als ik beter kijk zie ik in de opening van een van de zijdeuren drie dode kameraden liggen. Slachtoffers van die mitrailleur. Ik probeer te slikken, maar mijn keel voelt droog aan. Iedere ademtocht is pijnlijk. Ik moet nu handelen en de gedachte aan mijn dode kameraden uit mijn hoofd zetten. Ik dwing mezelf om me te concentreren op het mitrailleursnest. Het is bemand. Boven de aarden omwalling is het topje van een Franse helm zichtbaar. Als ik me opricht om de situatie te observeren klinkt er een korte vuurstoot. De kogels ketsen tegen de afgebrokkelde muur af.     “Granaat,” fluister ik Tristan in zijn oor. Ik kijk snel om me heen. Tegen de zijmuren staan houten koeienstallen. Het harde stro, hoog opgetast op hun zoldering, is oud en ruikt muf. Het dorp is duidelijk al lang geleden verlaten. Jezus, mijn gedachten dwalen af. Plots vliegt de deur achter me met een harde klap open en tuimelen Armin en Joachim naar binnen, buiten adem. Ik laat ze even bijkomen. In mijn hoofd heeft zich intussen een plan gevormd. Ik aarzel nu niet meer. Met ons vieren zijn we voldoende sterk om de mitrailleur uit te schakelen. “Armin, jij klimt op die stapel hooi daar aan de rechterkant. Van daar moet je de stelling goed kunnen zien. Laat me dadelijk weten of dat zo is.” Ik wacht even op bevestiging. Armin steekt zijn duim op ten teken dat hij het begrepen heeft. Ik ga door. “Jij Joachim neemt Tristan mee en probeert ongezien op de linkerflank van het mitrailleursnest te komen.” Joachim en Tristan knikken dat zij begrijpen wat er van hen verwacht wordt. “Als jullie in positie zijn zal ik de aandacht van de schutter trekken. Als hij zich blootgeeft, nemen jullie hem te grazen. Duidelijk?” Drie hoofdknikken. Een paar minuten later is iedereen op zijn plek. In de tussentijd heeft de Franse mitrailleur zonder onderbreking gevuurd. Sergeant Hamel heeft me geleerd om in zo’n situatie rustig te blijven en af te wachten tot de schutter de loop moet koelen. Opeens stokt het wapen. Ik richt me op en ren op de stelling af, een granaat in mijn rechterhand. De schutter en zijn helper zien me aankomen. Ze kunnen geen kant uit en ze beseffen het. De paniek staat in hun ogen te lezen. Wanhopig proberen ze de oververhitte mitrailleur te richten. Te laat. Met enkele gerichte schoten stellen Joachim en Armin beide vijanden buiten gevecht. Ik kan mijn granaat weer aan mijn riem steken.  Langzaam, heel langzaam zwakt het tegenvuur af, alsof de verdedigers een voor een uitgeschakeld worden.

Eindelijk, laat in de middag, is alle verzet gebroken. Beaumont is van ons. De tol die wij moeten betalen is echter enorm: tientallen doden, ontelbare gewonden en vermisten. Veel van de jonge mannen die vanochtend nog vol bravoure aan de aanval begonnen, zijn gevallen. Sergeant Sonntag wordt die avond samen met hen begraven.

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: