Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

De Duitse gevangene - een fragment

Ze keken tegelijkertijd op. Pal boven hen stond een jonge Duitse soldaat, zijn handen hoog in de lucht. Zijn kleren hingen in rafels om hem heen en zijn gezicht was bedekt met modder. Hij leek vermoeid, totaal aan het eind van zijn Latijn. Met klagende stem zei hij: ‘Kamerad. Kamerad.’‘Naar de hel met je Kamerad,’ zei Elston, ‘hou je handen omhoog.’‘Wie ben je?’ vroeg O’Garra. ‘Waar kom je vandaan? Spreek je Engels? Trek je vervloekte bek open.’‘Kamerad. Kamerad.’‘Spreek je Engels, Kamerad?’‘Ja, een beetje.’‘Je naam.’ commandeerde Elston. ‘Van welk regiment ben je? Waar zijn we nu? Geen grapjes. Als je flauwe geintjes uithaalt kun je een trap onder je reet krijgen. Waar kom je vandaan en wat wil je?’ ‘Ik heet Otto Reiburg en woon in München. Ben een Beier. Ik geef me over, Kamerad.’‘Is dat alles?’ gromde Elston. ‘Ik geloof dat ik verdwaald ben,’ antwoordde de Duitser. Hij was nog maar een jongen, ongeveer achttien jaar oud. Hij was lang en maakte een gracieuze indruk ondanks zijn slecht zittende uniform en onverzorgde uiterlijk. Zijn haar, dat in grote plukken onder zijn foeriersmuts uit piekte, was blond als rijp koren. Hij had blauwe ogen en een fijnbesneden gezicht. ‘Wij ook,’ zei Elston. ‘Wij zijn ook verdwaald. Is het mistig waar jij vandaan komt? Volgens mij komen we nooit meer uit dit gat tenzij we al onze moed bijeenrapen en ervandoor gaan.’ ‘Dat is onmogelijk,’ zei O’Garra. ‘Natuurlijk kunnen we op pad gaan, maar wat helpt dat ons? En misschien lokt dit stuk ellende ons wel in een val. Waarom maken we deze lamstraal trouwens niet een kopje kleiner?’De twee mannen keken naar de jonge Duitser en glimlachten. Maar de jongeling leek iets sinisters in hun glimlach te bespeuren en maakte aanstalten weg te glippen. Elston sprong onmiddellijk op. Hij greep de jonge Duitser bij de schouder, smeet hem op de bodem van het gat en zei: ‘Als je dat nog eens probeert snij ik je ballen eraf. Waarom zou je niet evenveel lijden als wij? Begrijp je wat ik bedoel? Naar de kloten met jou.’ En hij spoog een fluim recht in het gezicht van de Duitser. Gezien de positie waarin de jongen lag was het voor de mannen onmogelijk te zien of hij huilde. En als Elston dat gemerkt had, zou hij hem zeker hebben afgemaakt. Er was iets gruwelijk ophitsends in het bloed van deze onderkruiper. Hij wist niet wat het was, maar een vreemde, krachtige impuls nam bezit van hem, een aandrang die hem als instrument ging gebruiken. Hij voelde iets machtigs in zich groeien. Er was iets afstotends, iets misselijkmakends in die wellustige ogen en ook in die gekrulde lippen. Op dat ogenblik schoot alle rotting die zijn leven behelsde plotseling omhoog als vuiligheid uit een riool en maakte hem blind voor alles, behalve voor de daad die hij op het punt stond te begaan.O’Garra sloeg Elston gade. Ook hij scheen de gruwel van het moment te voelen.Zijn blik dwaalde van Elston naar de jonge Duitser. Er werd geen woord gesproken. De stilte was allesdoordringend. Vreselijk. Deze drie mannen die nog maar een uur geleden geladen waren om tot actie over te gaan, gretig en vitaal, leken nu zo hulpeloos als kinderen. Kwam dat doordat de mist die hen omringde zich een weg had gebaand naar hun harten en zielen? Of was er iets in hun aard zelf geknapt? Je kon niet zeggen dat ze zaten, of lagen. Ze hingen meer, zich ieder tot in elke vezel bewust van elkaars aanwezigheid, en in die aanwezigheid voelden ze iets onheilspellends, iets loerends dat prikkelde en stak. Ieder scheen zijn spraakvermogen te hebben verloren. De mist had hen omsloten. Geen van hen kende hun positie, wist een mogelijkheid om contact te maken met andere menselijke wezens. Wat was het dat hen zo op een hoop had gesmeten?O’Garra keek naar Elston.‘Elston! Elston! Wat moeten we doen? We moeten hier weg. Deze plek stinkt. Misschien bevinden we ons op oeroude grond. Rotte grond. Brijige moddergrond. Jezus Christus deze plek moet vol schurftige doden liggen.’Elston antwoordde niet. En plotseling viel O’Garra hem aan. Hij sloeg hem midden in zijn gezicht en riep zo hard hij kon: ‘Hé, jij luizige hoerenzoon. Wat ben je van plan? Probeer je me zo verrot te maken als jij, net zo’n lafaard, net zo’n beroerling? Jij en niet die klote-mof is hier verantwoordelijk voor. Hoor je me? Hoor je me? God allemachtig, waarom antwoord je niet. Antwoord me. Antwoord!’De jonge Duitser drukte zich plat tegen de bodem van het gat en trilde als een espenblad. Angst had hem in de greep. Zijn gezicht verkleurde van wit, naar rood, naar grijs, alsof zijn dood al ophanden was. Speeksel droop langs zijn kin. Die kleurveranderingen in zijn gezicht kwamen als windvlagen. Vlagen van angst, gruwel, wanhoop.Slechts eenmaal wierp hij een blik omhoog, naar de nu verwrongen trekken van de halfkrankzinnige Ier en leek te gaan huilen. Weer sprak O’Garra tegen Elston. Toen opende de Engelsman zijn ogen keek naar zijn maat en schreeuwde: ‘O’Garra! O’Garra. Waar ben je in godsherennaam? O’Garra!’Hij keek met een soort blind fanatisme in zijn blik naar de Ier, die, hoewel zijn lippen nauwelijks bewogen, geluiden mompelde: ‘In een godverlaten gekkenhuis. In een schijtgat. Ruik je de rottende lijken niet? Hoor je me? Hoor je me? ‘Jij luis, jij vuile rat. Doen alsof je slaapt en de hele tijd maar naar me gluren met die vervloekte rattenogen van je?’‘Kamerad.’Een zucht ontsnapte aan de jongen op de bodem van het gat. Het klonk als gefluit, bijna vloeibaar van toon. ‘Ah, val dood,’ gromde O’Garra. ‘Het is net zo goed jouw schuld. Wie heeft je in jezusnaam gevraagd hier te komen. Heb ik die klootzak ook al niet om op te letten? Die lafbek. Moest ik hem niet tijdens de opmars over de grond met me meeslepen? Ja. JIJ. JIJ. JIJ.’ O’Garra begon de gevangene in zijn gezicht te trappen tot het leek op een rauwe biefstuk.

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: