Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

DAUW - een fragment

Proloog  

 

 De punt van mijn linkerschoen staat open als een krokodillenbek. Na een week genadeloze regen is het vocht er eindelijk in geslaagd de zool van de rest te scheiden. De rillingen langs mijn linkerbeen zijn zo hevig dat de Sint Vitusdans niet ver meer lijkt. In de ochtendschemer zie ik hoe Henry Parker naast me met zijn hoofd tegen de loopgraafwand vredig lijkt te slapen en Harry McCauley strak voor zich uit kijkt met oogleden die sneller op en neer gaan dan kolibrivleugels. Achter, boven en voor ons is de hel een uur geleden losgebarsten. ‘Het zal ze dun door de broek lopen,’ heeft sergeant Richard Mallory nog geen twaalf uur geleden gezegd. ‘Die hunnenloopgraven zullen erger stinken dan een latrine die vol gescheten is door Croft en Barnett.’ De genoemde toprufters van het regiment lachten schaapachtig, wetende dat de boodschap nu een extra lading kreeg.‘Vijfhonderd kanonnen tegelijk,’ ging Mallory verder, ‘vijfhonderd en misschien wel meer zullen ze naar de verdommenis helpen en wat er over is snijden wij de strot af.’ Zoals hij voor ons stond was hij het prototype van de Britse beroepssoldaat. Hij had donkergrijs haar,met zwarte strepen, een borstelsnor en dito wenkbrauwen, en zijn uniform was ondanks de gore omstandigheden waarin we al tijden leefden nog zonder modderkorsten. ‘Doe je duimen maar in je oren,’ zei hij, ‘gescheurde trommelvliezen kunnen we niet gebruiken.’Hij heeft niet te veel beweerd. Om exact zes uur is de barrage losgebarsten en er lijkt geen einde aan te komen. Eenmaal waag ik het mijn kop boven de rand uit te steken, maar een kogel die mijn oorlel schroeit en de verzekering van Mallory dat hij bij een herhaling van mijn heldendaad persoonlijk mijn hoofd van de romp zal scheiden doen mij diep in de wand wegkruipen. Om acht uur wordt het plotseling stil. Al na enkele seconden nemen drie parmantige mussen plaats op de rand en beginnen vrolijk te tjilpen. Mallory heeft er geen oog voor. Met zijn fluitje in de mond knielt hij twee plaatsen van me af, als Jim Thorpe voor de start van de 100 meter. Ik schuif achter Parker en McCauley langs en spring om precies vijf over acht mijn leider na in het besef dat ik onkwetsbaar ben. Iedereen weet dat kogels die op Mallory afvliegen van baan veranderen als ze zijn lichaam naderen. Anderen worden uiteengereten en gaan ten onder in gegil en gekerm, maar hij rent altijd onversaagd en ongeschonden voorwaarts. Gek genoeg klinkt er deze keer nergens gejammer om me heen. Gek genoeg klinkt er nu helemaal niets. Ik zie hoe de mannen die zich gebukt in looppas voorwaarts bewegen hun tempo minderen en recht overeind komen. ‘Godverdegodverdegodver,’ brult Mallory. ‘Grote gedegenereerde debielen. Het kan elk ogenblik beginnen.’ Maar hoewel Mallory onkwetsbaar is en soms lijkt te beschikken over paranormale gaven, heeft hij het nu grondig mis. De tere ochtendstilte die ons al een paar minuten omhult wordt alleen gerafeld door vogelgefluit. Het lijkt alsof de artillerie nu eens niet de eigen mannen heeft uitgemoord of ver achter de vijandelijke loopgraven heeft gemikt maar alle Duitsers in één keer te grazen heeft genomen. Ik ben inmiddels op gelijke hoogte gekomen met Mallory en zie op diens gezicht een uitdrukking van volstrekte verbijstering. Hij loopt nu kaarsrecht, als een officier die zijn manschappen aanvoert bij een parade. ‘Een eitje,’ bromt hij met zijn prachtige bariton, ‘eindelijk eens een makkie.’ Het zijn z’n laatste woorden want als ik naar hem kijk zit hij op zijn knieën met zijn handen om een gat in zijn buik. Het schot dat hem heeft geveld is de opmaat tot een hels vuur dat mijn makkers met hun koppen in de modder drijft. Het gepokkepok van de mitrailleurs wordt al gauw overstemd door ontploffende handgranaten. Een ervan komt zo dichtbij me neer dat modder me bijna verblindt. ‘Terug,’ zegt een stem in me, ‘terug.’ - ‘Maar niet zonder Mallory,’ zegt een tegenstem. ‘Nooit zonder Mallory. Die mag hier niet in zijn eentje verrekken. Die heeft een beter lot verdiend.’ Voor mijn gevoel ben ik sinds de eerste kogel niet van mijn plaats gekomen, zodat mijn sergeant zich naast me moet bevinden en inderdaad voel ik een lichaam dat een beetje meegeeft als ik eraan begin te trekken. Ik sla een arm om zijn middel en kruip centimeter voor centimeter voort terwijl ik me bijna door de aarde heen duw om aan het vijandelijke vuur, dat steeds lager komt, te ontsnappen. De binnenkant van mijn arm voelt onaangenaam warm aan en ik besef dat Mallory me langzaam doopt in zijn bloed. Na eindeloze minuten bereik ik de rand van onze loopgraaf en laat me met de gewonde over de top rollen. Het is Mallory en hij is nog niet dood want hij zegt: ‘Lafbek, grote gore lafbek. Moge je branden in de hel.´ 

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: