Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

De Enorme Zaal

I

 

De Enorme Zaal is een literaire prestatie van formaat. Het is een boek over onderdrukking, onrechtvaardigheid en opsluiting verteld in een hallucinerende, experimentele stijl vol Franse woorden en zinnen. Het wordt bevolkt door een aantal groteske karakters die uniek zijn in de wereldliteratuur en met wie Cummings een affiniteit voelt die hem ervan weerhoudt zijn uiteindelijke vrijlating te bestempelen als een happy end.

In De Enorme Zaal maakt Cummings duidelijk wat de essentie van elke persoon is. Voor de beschrijving van de diepste kern van de mens zijn in de loop van de eeuwen diverse woorden gebruikt. Socrates noemde het de Daimon, Plato koos voor Psyche, Freud duidde het aan als het 'Het' en Cummings als 'IS'. Zo’n IS is in De Enorme Zaal bijvoorbeeld De Zoeloe, een man die wordt gekenmerkt door een moeiteloze spontaniteit. Hij is een van de vele memorabele karakters die Cummings ons schetst. De Enorme Zaal is geen doorlopende vertelling en kent geen romanhandeling in de klassieke zin des woords. Een serie van menselijke portretten en anekdoten wordt met een montagetechniek aan elkaar gelast tot een originele synthese. Het oog van de schilder is altijd zichtbaar. Beeldender schrijven dan Cummings in De Enorme Zaal is bijna niet mogelijk.

 

II

 

De Enorme Zaal telt drie delen. Deel één verhaalt over de arrestatie van C. (zoals we de romanfiguur van nu af zullen aanduiden) en zijn tocht naar La Ferté-Macé. Hij smijt de lezer meteen in het diepe en begint  in medias res. Pas geleidelijk aan zal hij de feiten over de arrestatie prijsgeven. De toon is vanaf het begin baldadig, bijna jolig en totaal gespeend van zelfmedelijden. Wanneer de celdeur in Noyon achter hem dichtslaat ervaart hij eigenlijk alleen maar vreugde. 'Ik legde de bedderol neer. Ik stond op. Ik was mezelf.' Als hij een toiletton in de hoek van zijn cel inspecteert wordt hij vervuld door een gevoel van medemenselijkheid wanneer hij er een recent gedeponeerde drol in ontdekt. Het doet hem denken aan Robinson Crusoë die een voetafdruk in het zand ziet.

Terwijl de beproevingen elkaar opvolgen begint Cummings een serie verwijzingen naar Pilgrim’s Progress van John Bunyan (1628-1688), de bekendste allegorie uit de Engelse literatuur. Bunyans verhaal handelt over Christian die zijn huis, vrouw en kinderen verlaat om op weg te gaan naar de Hemelse Stad. Op zijn tocht daar naartoe verdwijnt hij in de Poel der Ellende, wordt hij gevangengenomen in het kasteel van de Grote Wanhoop, moet hij vechten met het monster Apollyon in de Vallei van de Vernedering en bereikt hij tenslotte de Lieflijke Bergen en de Hemelse Stad.

Pilgrim’s Progress levert niet het structuurprincipe voor De Enorme Zaal. Cummings ontleent aan dit boek veeleer een opeenstapeling van allusies. De zware last die C. moet dragen tijdens zijn  driedaagse reis naar La Ferté-Macé kan vergeleken worden met de last die Christian moet dragen en het modderige terrein waarin de ambulance-eenheid opereert met de Poel der Ellende. En dat Cummings naar de directeur van de gevangenis verwijst als Apollyon laat aan duidelijkheid wel heel erg weinig te wensen over.

Maar Bunyan is niet de enige leverancier voor Cummings. Wanneer C. in gezelschap van twee domme gendarmes op weg is naar zijn bestemming ontmoet hij een serie vreemdelingen die een bijna mythisch karakter krijgen. In de trein helpt een andere gevangene, 'een goddelijke man', nederig in spraak en gedrag, hem met zijn bagage en deelt wijn en worst met hem. Een vriendelijke vrouw in Noyon geeft hem eten en blijkt een marraine (peetmoeder) van alle gevangenen. De mensen op straat zijn 'goddelijk' en een moederlijke vrouw die C. koffie verkoopt, schenkt hem een 'geheiligd heerlijk brouwsel'. Al deze figuren hebben iets met de christelijke folklore die vol verhalen is over plotseling opduikende goddelijke helpers of van Jezus zelf. In een scène die ongetwijfeld geïnspireerd is op de episode waarin Christian verlost wordt van zijn  last wanneer hij voor een kruis staat beschrijft Cummings in een taal vol kubistische duisterheden hoe C. zich bij een 'ontmoeting' met een wegkruis identificeert met de lijdende Christus en de twee gendarmes ziet als de twee dieven die aan weerszijden van hem werden gekruisigd.     

 

III

 

Aan het begin van deel twee ontwaakt C. in het Depôt de Triage en ziet de wereld van De Enorme Zaal waarin hij wordt herenigd met zijn vriend Brown. Wat zich voor zijn ogen afspeelt slaat hem met verbijstering. Al snel maakt hij kennis met de bewoners die door C. en Brown kleurrijke benamingen opgeplakt krijgen. Zij allen zijn onderhevig aan dezelfde, moordend monotone, dagelijkse routine.

In dit deel van het boek krijgt de lezer de meest expliciete beschrijving van Cummings’ visie op de wereld, een wereld waarin alles op zijn kop staat. Hoewel je zou verwachten dat de horribele omstandigheden C. met afschuw zouden vervullen is De Enorme Zaal aanvankelijk voor C. de mooiste plek op aarde, een plek die verre te prefereren valt boven de ambulance-eenheid waar ze onderworpen waren aan de grillen van de gehate Mr. Anderson. En hoe beroerd ze het ook hadden, in hun gevangenis waren ze in ieder geval ver verwijderd van de oorlogshandelingen. Maar het is uiteraard niet allemaal goud dat er blinkt. Zo wordt langzamerhand duidelijk dat er oppressie en onrechtvaardigheid heersen  De gevangenis wordt een symbool voor de grote boze buitenwereld waarin regeringen hun ondoorgrondelijke, heilloze gang gaan. De Enorme Zaal is zeer maatschappijkritisch en het is dan ook niet verwonderlijk dat er een zwaar accent wordt gelegd op de waarden van het individualisme en de deugden van het spontaan primitieve. De mannen die met C. en Brown bevriend raken zijn simpele, vriendelijke en onschuldige mensen. Het zijn kwetsbare, zwakke, kleine, kreupele figuren, niet zelden analfabeet of geestelijk niet helemaal in orde. En allen hebben op de een of andere manier iets kinderlijks. Dit geldt vooral voor de vrienden die C. aanduidt als 'De lieflijke Bergen', zoals Koorhemd, die vrijwillig de emmers drek naar beneden draagt, altijd een voorwerp is van spot, en nauwelijks weet dat er een oorlog aan de gang is. Hij is de incarnatie van de goddelijke dwaas een kind in het diepst van zijn gedachten. Ook Jean de Neger heeft iets kinderlijks, maar hij is verre van zielig. Hij uit zijn komisch talent in groteske verhalen over zijn leven, voert imaginaire telefoongesprekken door een kachelpijp en leest verzonnen berichten voor uit de krant. Maar plots kan zijn goede humeur omslaan en wordt hij kwaadaardig of geeft zich over aan gepruil. C. voelt een diepe band met Jean en geeft hem zijn jas als zijn vriend wordt veroordeeld tot eenzame opsluiting.

In deel twee staat de tijd stil. Elke dag is als de vorige of de volgende. Het is gevuld met anekdotes en portretten die een messcherp beeld geven van het leven in De Enorme Zaal.

Dat Cummings deel uitmaakte van deze microkosmos was een vrijwillige keuze. Het Depot de Triage bij la Ferté-Macé was geen gewone gevangenis hoewel de wachten wel de opdracht hadden iedereen die trachtte te ontsnappen neer te schieten. De opsluiting was niet bedoeld als straf en er waren privileges. Zo was het een paar vertrouwde geïnterneerden toegestaan in het stadje te wonen en voor gevangenen die het konden betalen was er een mogelijkheid privé-kamers te huren in de andere Depôt-gebouwen. Cummings had meer dan voldoende geld om zich dit te kunnen permitteren maar Brown en hij kozen ervoor het lot van de minder draagkrachtige gevangenen te delen. Om dezelfde reden maakten ze zo min mogelijk gebruik van de gevangeniskantine.

 

Cummings en Brown hadden de pech gehad dat hun internering net viel na het driemaandelijkse bezoek van de commissie die de gevangenen beoordeelde. In deel drie, waarin het verhaal ten einde wordt gevoerd, komt die ten tonele. Brown wordt doorgestuurd naar een permanente gevangenis en C. komt vrij, maar moet wel onder surveillance in een Frans stadje verblijven. Door deze draai in de gebeurtenissen verandert C.’s geestestoestand. Het vertrek van Brown maakt van het Depôt niet langer 'de mooiste plek op aarde'. De grote wanhoop krijgt hem in zijn klauwen. Hij wordt van alle, verplichtingen bevrijd door een telegram dat hem ontbiedt op de Amerikaanse ambassade. Zijn terugreis kan beginnen. Het boek eindigt met een bijna kubistische associatieve beschrijving van New York dat voor hem opduikt als de Hemelse Stad.    

   

IV

 

Een verhaal met een onderwerp als dit zou gemakkelijk in de vergetelheid kunnen verdwijnen als het zoveelste voorbeeld van oorlogsmemoires ware het niet dat Cummings het vertelt op zo´n originele, modernistische manier dat het nu geldt als een klassieker in de literatuur van de twintigste eeuw, een klassieker die in geen enkel opzicht verouderd aandoet.

Cummings is een bijzonder sensitief auteur en beschrijft, waar hij ook maar kan, de sensaties van zijn kompanen. Hij laat ons niet alleen zien en horen, maar ook voelen, ruiken en betasten. Zo ervaren we levendig het dagelijkse leven in het Depôt de Triage met zijn vochtige wanden, emmers urine, vuilkorsten, vette soep, snijdende kou, en eeuwig gekrakeel.  

Zelf blijft hij meestal buiten schot. Ironie is zijn pantser.

 

Om aan te geven hoe het bestaan er echt is vervlecht Cummings in zijn tekst vele Franse woorden en zinnen die over het algemeen uit de context vrij goed te begrijpen zijn.

Cummingsʼ stijl is exuberant, uiterst origineel en vooral zeer afwisselend. In een moment van opwinding 'staat mijn bloed op zijn tenen', een gendarme die zijn  dienst gaat beginnen 'gespt zijn waardigheid om,  Koorhemd spreekt met een 'schouderophalende stem' en het zoontje van de zigeuner heeft 'trillende ogenknopen genaaid op gouden vlees'.  Cummings goochelt met impressionisme, expressionisme en kubisme. Zijn tekst wemelt van de synesthesieën en metaforen en ook de monologue interieur ontbreekt niet.

Het is al met al een stilistische staalkaart die zijn weerga niet kent. ʼThere had never been anything quite like it before en there has never been anything like it since,ʻ zegt Cummings’ biograaf Richard Kennedy, en zo is het.     

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: