Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

E.E.Cummings

 

I

 E.E. Cummings (1894-1962) was een veelzijdig en controversieel kunstenaar. Hij was dichter, toneelauteur, essayist en schilder en behoorde in die hoedanigheden tot de avant garde van de Amerikaanse literatuur en kunst. Hij is vooral bekend gebleven door zijn zeer experimentele gedichten maar verdient zeker evenveel belangstelling vanwege zijn roman De Enorme Zaal

(The enormous room) die in 1922 verscheen. Het was een debuut dat nu geldt als een van de belangrijkste literaire documenten over de Eerste Wereldoorlog. Cummingsʼ roman wordt wel op één rij gesteld met Three soldiers van John Dos Passos, A farewell to arms van Ernest Hemingway, Soldier’s pay en A fable van William Faulkner en The middle parts of fortune van Frederic Manning, en voert volgens velen deze reeks aan. De oorlog was voor Cummings, die enkele aspecten ervan aan den lijve had ondervonden, een ingrijpende gebeurtenis. Hij behoorde na beëindiging van die massaslachting tot de groep ontwortelde Amerikaanse  intellectuelen die 'the lost generation' wordt genoemd.

Zijn roman, die door vele uitgevers was afgewezen voor hij tenslotte bij Liveright verscheen, werd in Amerika ondanks de bemoeienissen van o.a. Dos Passos allesbehalve een onverbiddelijke bestseller. Na vele jaren waren er van de eerste druk (2200 exemplaren) nog maar zo weinig verkocht dat de uitgeverij Cummings de talrijke resterende boeken aanbood voor 30 dollarcent per stuk. De Engelse uitgave die in 1928 met een voorwoord van Robert Graves verscheen werd wel goed verkocht. Het was een veel 'zuiverder' editie dan de Amerikaanse die Cummings vanwege een verblijf in het buitenland zeer tot zijn verdriet niet zelf had kunnen corrigeren. De kritiek wist aanvankelijk slecht raad met De Enorme Zaal, waarschijnlijk omdat het geen oorlogsroman in de gebruikelijke zin des woords was. Hier geen verslag van chaotische krijgshandelingen of gruwelijke loopgravenbelevenissen maar veeleer een weergave van de uitwerking van de oorlog op het menselijke gedrag en denken en een beschrijving van intermenselijke relaties an sich. Cummings’ boek heeft veel van een satirische groteske en zette velen op het verkeerde been.         

 

II

 

Edward Estlin Cummings werd op 14 oktober 1894 in Cambridge (Massachusetts) geboren. Zijn dominante vader, Edward, was een in hoog aanzien staande professor in de sociologie aan de Harvard universiteit die later als unitarische geestelijke  de beroemde South Congregational Church in Boston onder zijn hoede nam. Van jongs af aan was E.E. Cummings voorbestemd voor een intellectueel leven. Zowel zijn vader als zijn moeder wilden een dichter van hem maken en prikkelden onophoudelijk zijn taalvaardigheid. Van 1911 tot 1916 studeerde hij aan de Harvard universiteit waar hij zich vooral bekwaamde in Grieks en Engels, maar ook in Frans, Duits, Spaans, Italiaans en Russisch. Het woord had een magische aantrekkingskracht op hem. Zijn Harvard-jaren waren beslissend voor zijn persoonlijke ontwikkeling. Ze vormden een tijd van rijping die hem nieuwe inzichten, houdingen en vriendschappen bracht. De rebel in hem stond op. Onder de invloed van de Engelse dichter Keats mat hij zich een air aan van het gekwelde genie dat zich van de maatschappij vervreemdt en door haar wordt afgewezen. Hij ontwikkelde een heel eigen stijl die dwars inging tegen de conventies. Een van zijn vrienden aan de universiteit was John Dos Passos die dezelfde interesses had als Cummings en later zou uitgroeien tot een toonaangevend romancier. Naast vele andere dingen bewerkte Harvard ook een andere levensstijl die een totale afkeer inhield van de moraal en waarden van de oude generatie. Dit maakte de afstand tot de wereld van Cambridge groter en groter.

Zijn verhuizing naar New York in januari 1917 bewerkte een volledige breuk met het oude Amerika. Zijn thuis werd Greenwich Village, het swingende bohémien-kwartier van de stad.

Cummings vond in de super metropool een oneindige inspiratiebron. Hij sleep er aan zijn verstechniek en wijdde zich ook aan de schilderkunst, een oude liefde van hem, met het doel een Amerikaanse kubist te worden. In dit van enthousiasme kokende leven leek er geen plaats voor de ellendes van de slagvelden van Vlaanderen en Noord-Frankrijk, maar op 6 april 1917 veranderde deze situatie. De Amerikaanse president Woodrow Wilson  verklaarde Duitsland  de oorlog om, in zijn woorden, 'de wereld rijp te maken voor de democratie en een oorlog te voeren die in één klap een einde zal maken aan alle oorlogen'.

Hoewel Cummings zich alleen met kunstzinnige zaken bezighield was de oorlog ook in zijn universiteitsjaren niet helemaal langs hem heen gegaan. Zo verscheen in 1916 in de New York Post het gedicht Belgium waarin hij zich tegen de oorlog keerde. Hij had zijn anti-oorlogshouding niet van een vreemde want dominee Edward Cummings was als voorzitter van de World Peace Foundation een van de meest vooraanstaande pacifisten van het land.

De steeds toenemende oorlogshysterie ging natuurlijk niet aan zijn zoon voorbij en om toch zijn bijdrage te leveren meldde hij zich snel na de oorlogsverklaring aan bij de Norton-Harjes ambulance-eenheid, een uit Amerikaanse vrijwilligers bestaande Rode Kruis-sectie van het Franse leger. Vele voormalige Harvard-men (zoals Dos Passos) zetten deze op het eerste gezicht paradoxale stap, enerzijds om het heft in eigen hand te houden en de verwachte verplichte dienst te ontlopen en anderzijds om zo toch een deel van het grote avontuur mee te maken. 

 

III

 

Op 28 april 1917 begon aan boord van een comfortabele passagiersboot de overtocht naar Frankrijk. Op het schip maakte Cummings kennis met een jonge vrijwilliger van de Columbia-universiteit, William Slater Brown, die zijn boezemvriend zou worden. Brown was een levendige, goedgebekte jongeman die zich in Washington vanwege zijn pacifistische overtuiging had ingezet voor het burgerinitiatief  dat het Congres van de oorlogsverklaring af had willen houden.  

Toen ze in Parijs aankwamen leek de oorlog ver weg. Op grond van een organisatorisch misverstand werden Cummings en Brown van hun groep gescheiden en verdwenen ze een tijdje uit het oog van Norton-Harjes. Dat leverde hun een vijfweekse vakantie in Parijs op waarvan ze met volle teugen genoten. Het werd een kunstzinnige en seksuele initiatie die lang zou nawerken. Uiteindelijk werden ze opgespoord en met een waarschuwing naar hun eenheid  

in een dorpje bij St. Quentin gestuurd, een gebied waaruit de Duitsers zich in de lente hadden teruggetrokken. De eenheid van ongeveer vijftig mannen was 'uitgerust' met twintig voertuigen, grote Ford- en kleinere Fiat-ambulances die steeds door twee personen werden bemand. Dagelijks werden er een paar ambulances in de richting van het front gestuurd terwijl de andere in het dorp achterbleven. Na een periode van actieve dienst trok de sectie zich terug naar een ander dorp voor repos.  Aangezien de streek waarin Cummings’ eenheid opereerde gedurende de drie maanden dat Brown en hij er verbleven erg kalm was zagen ze weinig ellende. Geen grote avonturen dus, maar wel auto’s  poetsen, wachtdiensten en gedril. Cummings’ brieven uit die tijd zijn nogal klagerig van toon, ook al omdat Brown en hij door de stoere jongens uit de mid-west die hun eenheid bevolkten werden gezien als geaffecteerde mietjes. Daarom gaven die zich liever af met de Fransen die bij hun eenheid waren ingedeeld. Van hen hoorden ze over de oorlogsmoeheid van de gewone soldaten en ook over de doodgezwegen muiterij in het Franse leger na de mislukte aanval van generaal Nivelle bij de Aisne. Hun verbroedering met de Franse soldaten en met de burgerbevolking, en hun bewuste provocaties - ze schoren en wasten zich niet of nauwelijks - vielen vooral bij hun bekrompen afdelingscommandant Anderson, die op de Fransen neerkeek, niet in goed aarde. Toen de tijd aanbrak waarin verlofbriefjes voor Parijs werden uitgedeeld kwamen Cummings en Brown uiteraard niet in aanmerking. Om zijn chagrijn hierover te tonen blies Cummings een mondvol rook recht in het gezicht van Anderson. Het was duidelijk dat de aankomende dichter zijn contract van een halfjaar niet zou verlengen.  

In brieven naar de Verenigde Staten, die uiteraard door de censuur werden gelezen, uitten Brown en hij zich onverholen tegen hun meerderen en maakten ook van hun hart geen moordkuil als het ging om de defaitistische stemming onder de Franse troepen. Vooral Brown maakte het bont. Hij schreef bijvoorbeeld dat alle Franse soldaten de oorlog zat waren en absoluut niet geloofden dat de Duitsers verslagen konden worden. Op grond van deze en andere uitlatingen werd hij  na een tijdje op verdenking van spionage voor Duitsland gearresteerd. Als beste vriend van Brown werd ook Cummings in de kraag gepakt. Beiden werden voor verhoor naar Noyon gebracht waar de drie met het onderzoek belaste beambten tijdens lange verhoren geen bewijs konden vinden tegen Cummings. Desondanks werd hij niet vrijgelaten. doorslaggevend voor zijn lot was waarschijnlijk zijn antwoord op de vraag: 'Haat u de Duitsers?' In plaats van een voor de hand liggend 'ja' klonk er: 'Nee, maar ik heb de Fransen zeer lief.' Nadat hij ook nog zijn ongeloof had uitgesproken over de aan de Duitsers toegeschreven gruwelijkheden was zijn lot bezegeld.

Na wat tussenstations kwam hij terecht in een Dépot de Triage, een gevangenis voor verdachte en ongewenste buitenlanders bij het stadje La Ferté Macé in het zuiden van Normandië waar hij ongeveer drie maanden zou verblijven. Dit Dépot was een grauw driedelig gebouwencomplex dat tot 1906 als seminarie had gediend. Cummings kwam in een kapelachtige ruimte (De Enorme Zaal) terecht met zo’n veertig mannen van zeer diverse pluimage. Hij trof er Belgen, Hollanders, Engelsen, Spanjaarden, Polen, Russen. Noren en Turken en, tot zijn grote vreugde, ook zijn vriend Brown.

 

IV

 

De integratie van Cummings en Brown in dit heterogene gezelschap verliep probleemloos. Ze voelden zich er aanzienlijk beter op hun gemak dan bij hun landgenoten van de ambulance-eenheid en ervoeren een voor hen verrassend nieuwe solidariteit die werd gevoed door het op elkaar aangewezen zijn en door de haat die men zonder uitzondering koesterde tegen de willekeur van het gevangenispersoneel en de bureaucratie. Voor Cummings en Brown betekende hun gevangenisverblijf een kennismaking met sociale lagen en nationaliteiten die zij nog nooit hadden ontmoet. Cummings maakte dagelijks fanatiek notities die hem  bij het schrijven van De Enorme Zaal zeer van pas zouden komen. De brieven die hij aan het begin van zijn gevangenisperiode aan zijn ouders stuurde zijn, in schrille tegenstelling tot die uit zijn ambulance-episode, bijna vrolijk van toon. In een ervan schrijft hij zelfs: ‘Ik heb hier de mooiste tijd van mijn leven.’

Deze aanvankelijke onbekommerdheid en nieuwsgierigheid verdwenen langzamerhand door de eentonigheid van de dagen, de steeds slechter wordende hygiënische omstandigheden, opkomende ziekten en het zeer slechte eten dat slechts af en toe met wat voedsel uit de kampwinkel kon worden aangevuld. Om niet in geestelijke lethargie te vervallen discussieerden Cummings en Brown onophoudelijk over beeldende kunst en literatuur. Ook Cummings’ dichterlijke fantasie roerde zich hevig, zodat hij zijn grote notitieboek kon vullen met talrijke poëtische aanzetten die, in uitgewerkte versies, terechtkwamen in zijn eerste dichtbundel Tulips & chimneys (1923).

In de tussentijd bleven zijn bezorgde ouders in Cambridge niet dadenloos toezien. Nadat ze via een telegram van Richard Norton (van Norton-Harjes) op de hoogte waren gesteld van Edwards internering begon zijn vader aan alle touwtjes te trekken die hem ter beschikking stonden. En met succes. Wel kreeg hij door een misverstand eerst het bericht dat het schip waarop zijn zoon naar Amerika voer door een Duitse onderzeeër was getorpedeerd maar de daarbij gedode Cummings was niet E.E. maar H.H. Edward zat op een heel ander schip. Cummings sr. was zo ziedend over de ontberingen die zijn zoon had moeten ondergaan dat            

hij na diens terugkeer in de Verenigde Staten erover dacht een internationale rechtsprocedure aan te spannen. Het slachtoffer zelf weigerde echter zijn medewerking en vader en zoon werden het er erover eens dat de jonge Edward in ieder geval zijn belevenissen in de gevangenis op papier zou zetten.

Omdat dit niet het enige vader-zoon conflict was ontvluchtte Edward opnieuw het door hem als benauwend ervaren ouderlijk huis in Cambridge en vestigde zich weer in Greenwich Village, waar hij, vaak in gezelschap van de inmiddels ook teruggekeerde vriend Brown, het bohémienleven leidde dat hij voor een kunstenaar passend achtte. Nog eenmaal haalde de oorlog hem daar in. Hij ontving namelijk een oproep om zich te melden in het infanterieopleidingskamp Camp Devens waar hij als gewoon soldaat de rest van de oorlog doorbracht. Een hem aangeboden officiersopleiding wees hij af. Hij had niets met het uitoefenen van gezag, schikte zich liever in de rol van de sensibele kleine man en schreef later daarom zijn voorletters en het persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon klein (e.e. en i).

Na zijn militaire periode die eindigde in januari 1919 bracht Cummings tweeënhalf jaar door in New York. Daar schilderde en dichtte hij fanatiek en toonde zich zo onder de indruk van de Russische Revolutie dat hij zijn ouders John Reed’s beroemde Ten days that shook  the world, de fameuze reportage daarover, aanbeval. In 1921 ging Cummings samen met John Dos Passos naar Europa en vestigde zich na wat omzwervingen weer in Parijs. Hier ontmoette hij o.a. de door hem zeer bewonderde Ezra Pound met wie hij onmiddellijk vriendschap sloot. Er brak nu voor Cummings een zowel in kunstzinnig als persoonlijk opzicht roerig decennium aan waarin hij veel op en neer pendelde tussen Amerika en Europa. Hij exposeerde en publiceerde veel en had aanvankelijk ook enig succes. In de jaren dertig werd dat allemaal anders. Cummings werd in toenemende mate in een isolement gedrongen. Verbeten schreef hij verder en bijna onopgemerkt verscheen bundel na bundel veelal bij kleine uitgeverijen. Pas in de jaren vijftig keerde het tij enigszins en werd hij een veelgevraagd spreker op universiteiten. In 1958 verleende de Yale universiteit hem de 'Bollingen Prijs' voor de dichtkunst, een eerbetoon dat hij aanvaardde. Toen president John F. Kennedy hem echter in het voorjaar van 1962 met andere prominente kunstenaars voor een bezoek aan het Witte Huis uitnodigde liet hij het afweten. Met de inspanningen van de president om een engere band tot stand te brengen tussen macht en kunst wilde hij niets te maken hebben.

Op 3 september 1962 kreeg Cummings een beroerte die hem fataal werd. De vele necrologieën waren het over één ding eens: een van de allergrootste Amerikaanse literatoren uit de twintigste eeuw was heengegaan.

 

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: