Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

Old Soldiers Never Die vertaald

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918, de vertaling van de Engelse klassieker Old Soldiers Never Die, zijn de allerbeste memoires over de Eerste Wereldoorlog ...

 

'Dichterbij de alledaagse werkelijkheid van een frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog kun je als lezer niet komen.' 

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards geven niet alleen een inkijkje in het soldatenleven in de loopgraven, nee, ze sleuren ons er aan de haren in. Richards laat ons de oorlog meebeleven van de allereerste tot de allerlaatste seconde. Hij is een typisch voorbeeld van een soldaat van de oude stempel. Hij vecht, gokt, drinkt, scharrelt, schooit, bietst, en ontduikt wanneer maar mogelijk is corvee. Hij blijft onverstoorbaar tijdens de hevigste bombardementen zijn werk doen, en hij ondergaat de meest ellendige loopgraafomstandigheden zonder morren.

Het boek is geschreven door een soldaat, niet door een schrijver. Ongepolijst, met homor, en met een scherp oog waar het in die uitzonderlijke en miserabele omstandigheden echt om gaat, beschrijft hij de oorlog vanuit het gezichtspunt van de 'gewone' soldaat.

 

FRANK RICHARDS

 

 Op 7 april 1883 wordt in Upper Machen Farm in het plaatsje Machen in Wales een jongetje geboren dat zijn moeder Mary Ann Woodruff (geboren Richards) op 11 juni onder de naam Francis Philip inschrijft bij de burgerlijke stand. Als naam van de vader geeft zij Francis Augustus Woodruff op. De jonge Francis was enig kind. Als Francis ongeveer 9 jaar oud is wordt hij wees en nemen een oom, de tweelingbroer van zijn moeder, en tante hem liefdevol op in hun gezin. Hij neemt de achternaam van zijn oom aan en laat zich in het vervolg Frank noemen. Tot zover de feiten. Hoewel deze aan duidelijkheid niets te raden over lijken te laten bestaat er over Franks afkomst en jeugdjaren weinig met zekerheid te zeggen omdat de officiële documenten die bovenstaande feiten zouden kunnen adstrueren ontbreken. Velen hebben de verleiding niet kunnen weerstaan de leemtes in kennis die bestaan over de eerste negen jaren van zijn leven te vullen met aannames en veronderstellingen. Ik kies er echter voor Frank Richards te volgen die Old Soldier Sahib, zijn boek met herinneringen aan de eerste periode van zijn leven, begint met: ‘Ik heb wel wat herinneringen aan mijn vader en moeder, maar wil mijn verhaal beginnen in 1893 toen ik op negenjarige leeftijd wees werd en door een oom en tante die in Blaina, Monmouthshire, woonden, geadopteerd werd.’

Zijn oom had een goedbetaalde baan als walser in een plaatselijke staalfabriek maar was nagenoeg ongeletterd. Zijn tante die beter onderlegd was, probeerde hem het een en ander op het gebied van taal en geloof bij te brengen, maar al haar pogingen konden niet voorkomen dat Frank op de dag dat hij twaalf werd en het toegestaan was in de mijnen ging werken. In 1900 probeerde hij tevergeefs dienst te nemen bij de Royal Welch Fusiliers. Een jaar later lukte het wel. Na een weinig lucratieve dag bij de paardenrennen van Hereford ging hij naar het recruteringsbureau in Brecon, loog daar over zijn leeftijd en werd na een pittige discussie met de recruteringssergeant aangenomen bij het regiment van zijn keuze. Hij kreeg het regimentsnummer 6584 dat hij gedurende zijn hele diensttijd zou houden. Hij werd opgeleid tot seiner en onderscheidde zich al snel als scherpschutter.

In 1902 gaat hij met de jaarlijkse lichting van de Second Royal Welch Fusiliers naar India. In Old Soldier Sahib geeft hij een levendig verslag van de jaren die hij hier doorbrengt. Na zeven dienstjaren overzee kon hij bijtekenen, maar hij verkoos reservist te worden en naar huis te gaan. Zijn oom en tante woonden nu in Newport, Monmouthshire. De nieuwe woonomgeving gaf hem van meet af aan een claustrofobisch en rusteloos gevoel. Maar gelukkig won Minoru, het renpaard van koning Edward, dat jaar de Engelse Derby en bezorgde daarmee niet alleen het Engelse koningshuis zijn eerste overwinning in deze prestigieuze wedstrijd, maar Frank ook een zeer substantiële gokwinst die hem in staat stelde een tijdlang rond te trekken en de bloemetjes flink buiten te zetten. Toen hij de winst erdoor gejaagd had ging hij terug naar Newport en vond werk in de mijnen. Hij ging in Blaina bij de Prattens op kamers wonen.

Het Castlehotel is het gebouw meteen links op de foto

 Elke drie maanden kreeg hij zijn reservistenwedde uitbetaald die hij er in het Castle Hotel in enkele avonden in rap tempo doordraaide. Met de beschrijving van een van die avonden begint Old Soldiers Never Die.

 

 

 De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918

 

 

 Als op 4 augustus 1914 Duitsland het neutrale België binnenvalt verklaart Engeland Duitsland de oorlog. Die dag worden in Engeland alle reservisten opgeroepen zich bij hun regiment te melden. Frank Richards reist de volgende dag naar zijn regimentsdepot in Wrexham maar doet voordat hij zich meldt nog een pub aan die afgeladen is met Royal Welch reservisten die hun weerzien liederlijk aan het vieren zijn. Behoorlijk in de lorum en uitermate goedgemutst arriveerde de groep in de kazerne die al overvol bleek te zijn waardoor de meesten de nacht in de buitenlucht moesten doorbrengen.

Een paar weken na de wapenstilstand van 11 november 1918 wordt Frank Richards gedemobiliseerd. Frank Richards heeft in de dik eenenvijftig maanden die de oorlog geduurd heeft, deelgenomen aan elke slag en aanval waar zijn bataljon bij betrokken was. En dat zonder noemenswaard gewond te raken. Hij is een kenmerkend voorbeeld van een soldaat van de oude stempel, een van de “Old Contemptibles”.

De hele oorlogstijd heeft hij als soldaat dienstgedaan. Niet dat hij niet in aanmerking kwam voor promotie maar hij had er eenvoudigweg geen behoefte aan. Velen met een veel poverder staat van dienst kregen een bevordering aangeboden of vroegen erom. Frank Richards koos er echter voor bij zijn kameraden te blijven die trouwens gaandeweg de oorlog bij bosjes wegvielen.

Frank Richards diende bij de Royal Welch Fusiliers, een van de oudste regimenten in het Britse leger. Over de wederwaardigheden van dit regiment tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn door verschillende, en niet de minste, schrijvers boeken geschreven.

      

 

 In de boeken van Robert Graves (Goodbye to All That, 1929) en Siegfried Sassoon (Memoirs of an Infantry Officer, 1930)  komt de tijd die zij tijdens de oorlog als officier bij dit regiment gediend hebben, aan de orde. Beide boeken golden van meet af aan als klassiekers binnen de Eerste Wereldoorlogliteratuur en werden vooral geroemd om hun onverbloemde eerlijkheid. De bespreking van Goodbye to All That in de Manchester Guardian geeft heel goed de teneur van de kritiek uit die tijd aan en zou heel goed voor beide boeken kunnen gelden:

 

  [Het boek is] een helder en intelligent document van een generatie wier normale ontwikkeling beknot werd en wier toekomstverwachting bijna bij de wortel was doorgesneden. Opvallend genoeg is hij niet verbitterd. In zijn verhaal klinkt geen venijn en zelfmedelijden door. De buitengewone kwaliteit wordt bepaald door zijn uitzonderlijke openheid en integriteit.

 Het is heel goed mogelijk dat Frank Richards de boeken van Graves en Sassoon, officieren voor wie hij veel respect had en die met de manschappen in de loopgraven hadden gezeten, gelezen heeft, en hij zal bovenstaande kritiek vrijwel zeker voor een goed deel onderschreven hebben, maar toch weten we uit wat Richards in 1956 tijdens een interview voor de BBC-radio gezegd heeft dat hij in de twintiger jaren tijdens een lange periode van werkeloosheid een aantal memoires van officieren over de oorlog met stijgende verbazing gelezen had:

 Tijdens een lange werkeloosheidsperiode las ik enkele boeken van officieren over hun oorlogsavonturen, maar het was een andere oorlog dan die ik als soldaat kende. Dus op een dag dacht ik bij mezelf – ik had toch niets anders te doen – ik ga eens kijken wat ik er zelf over te zeggen heb. Ik kocht een kolossaal schrijfblok en ging met kroontjespen en inkt aan de slag. Overdag trok ik gewapend met behoorlijk wat papier de heuvels in en daar zocht ik een plaatsje om na te denken en te schrijven. Ik was daar de hele dag mee bezig en at pas als ik laat in de avond thuiskwam. Daarna bleef ik tot twee of drie uur in de ochtend op om te schrijven. Soms verscheurde ik alles wat ik geschreven had en gooide de snippers op het vuur. Zo ging het achttien maanden achtereen door. Ik raakte volledig uitgeput. De paarden waarop ik wedde waren me niet goed gezind, en sommige avonden en nachten had ik zelfs geen penny meer voor de gasmeter. Ik verpestte mijn ogen door bij het licht van het fornuisvuur te schrijven.

 

 Voor het schrijven van zijn verhaal putte hij naar eigen zeggen uit zijn herinnering. Dat moet ook wel want de onofficiële bataljonsgeschiedenis The War the Infantry Knew van kapitein J.C.Dunn was nog niet geschreven, Graves en Sassoon hadden maar kort bij zijn bataljon gezeten waardoor hun boeken hem weinig konden helpen, en de War Diary van zijn eenheid was voor hem niet toegankelijk. Hij had enkele kameraden en correspondenten bij wie hij te rade kon gaan maar voor het overgrote deel was hij aangewezen op zijn geheugen. Dat dat geheugen fenomenaal geweest moet zijn blijkt wel uit het feit dat zijn verhaal slechts enkele kleine onnauwkeurigheden bevat.    


     

 

 

 

                       
     handelsuitgave                       geb. uitgave/oplage 50 ex.
  

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: